10 vuistregels
10 vuistregels

10 vuistregels

Unicef en de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) zijn ervan overtuigd dat de gezondheidszorg, en in het bijzonder de pre- en postnatale zorg, een grote invloed uitoefenen op het welslagen van de borstvoeding. Als vervolg op de gedragscode van 1981 zijn in 1990 op internationaal niveau tien uitgangspunten geformuleerd voor een goed borstvoedingsbeleid. Hieronder hebben we de de 10 vuistregels op een rij gezet.

Alle instellingen voor moeder- en kindzorg dienen ervoor zorg te dragen dat:

  • zij een beleid t.a.v. borstvoeding op papier hebben, dat standaard bekend gemaakt wordt aan alle betrokken medewerkers
  • alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid
  • alle zwangere vrouwen voorgelicht worden over de voordelen en de praktijk van het geven van borstvoeding
  • moeders binnen een uur na de geboorte van hun kind geholpen worden met borstvoeding geven
  • aan (aanstaande) moeders uitgelegd wordt hoe ze hun baby moeten aanleggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder gescheiden moet worden
  • pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie
  • moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer blijven ("rooming-in")
  • borstvoeding op verzoek wordt nagestreefd
  • aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen gegeven wordt
  • borstvoedingsbegeleidingsgroepen (moedergroepen) gevormd kunnen worden en dat (aanstaande) moeders bij het beëïndigen van de zorg naar deze groepen verwezen worden